Van rendier tot kameel! Good good!

High five! We zijn in Mongolië! Met de bus die ons vanuit China de grens over moest brengen, worden we afgezet op het treinstation. Of iets wat daar op lijkt. Een zanderig plek waar het behoorlijk waait en verder lijkt er eigenlijk niets te zijn. Even verderop vinden we de treinrails en na een stukje lopen een gebouw waar ze de kaartjes blijken te verkopen. De trein zou rond 18 uur gaan, dus nog zeeën van tijd. Dachten we. In het treinstation stond de klok toch echt op 17:15 uur in plaats van 16:15 uur. Blijkt dat ze in Mongolië even last minute de zomertijd hebben ingevoerd (alle vliegmaatschappijen ontregeld, wij helemaal ontregeld, om 19 uur schijnt de zon nog alsof het 3 uur ‘s middags is). Dus het tempo werd iets versneld aangezien we ook nog geld moesten pinnen. Nu leek het ons best handig, zeker op dit moment, dat de pinautomaten en de kaartverkoop beiden op de begane grond zouden zitten. Maar volgens Mongoolse logica zitten de pinautomaten in de kelder en de kaartverkoop op de tweede verdieping. Maar ach, lopen is gezond en na wat heen en weer sjeesen door het gebouwtje hadden we uiteindelijk kaartjes! Helaas geen tijd meer om een hapje te eten, dacht Elske?! Dus met ietwat rommelende maagjes de trein in richting Ulaanbaatar, een ritje van zo’n 16 uur. Vlak nadat we vertrokken, kwamen ze thee en koffie brengen en lakens, dekens en een handdoek. Luxe! En uiteindelijk ja hoor, een verkoopmevrouwtje, met iets wat op noodles leek. Twee bakjes graag! Het bleek tsuivan te zijn, noedels, maar wat droger van structuur dan die we kennen, met aardappel, wortel en kleine stukjes vlees. Rogier weer blij! Onderweg kregen we vanaf het begin een voorproefje op het typisch Mongoolse landschap. Sjonge jonge wat zijn die jongens hier hartstikke lekker bezig met gras zeg. Overal gras: groen gras, bruin gras, sprieterig gras, klein gras, groot gras, dik gras, dun gras, allemaal gras man. Zo ver je kan kijken: glooiende heuvels met gras. Als je geluk hebt zie je af en toe een boom, maar vooral gras, gras en nog eens gras. Aangezien we een slaaptrein hadden vloog te de tijd voorbij en werden we ‘s ochtends gewekt door de mevrouwtjes van de trein. Die voelden zich duidelijk wat ongemakkelijk haha. En zo waren we voor we er erg in hadden ineens in Ulaanbaatar.

Ulaanbaatar is de hoofdstad en de LP beloofde ons een grote stad en we moesten maar voorbereid zijn op een shock. Eenmaal uit de trein merkten we vooral dat het wat fris was, maar verder was het een vriendelijk en rustige dorpje met zo’n 1.3 miljoen inwoners. Ulaanbaatar beviel ons dus wel. Al hebben we er vooral tripjes richting immigratiekantoren en de Chinese ambassade gemaakt. Helaas zat de eerste dicht, want het was de verjaardag van de achterbroer van de hond van de president of zoiets (vaags dat zelfs veel Mongolen niet wisten dat ze voor niets bij de immigratiedienst aankwamen), en moesten we de volgende dag terug om verlenging voor Mongolië te regelen. Zo gezegd zo gedaan en hoewel je ook daar van balie naar balie naar de bank en terug naar de balie werd gestuurd, ging het redelijk vlotjes. Helaas waren we, door de nogal beperkte openingstijden, wel alsnog te laat voor het aanvragen van een nieuw chinees visum. Nou ja, te laat… Wij vonden dat we keurig op tijd met ons ingevulde aanvraagformulier in de rij stonden. Maar 12 uur is 12 uur en de mevrouw achter de balie liep gewoon weg om vervolgens niet weer terug te komen. Dat betekende dus maandag terugkomen… Elske’s pruillipje en heel zielig kijken hielp niets bij de strenge Chinezen. Om onze irritatie weg te eten, nemen we een echt Mongoolse snackje: khuushuur. Althans we dachten dat het een snackje was. We kregen een bord met vijf mega grote soort van gefrituurde pannenkoeken met geitenvlees. Op het plaatje zag het er toch anders uit. De smaak was zeker goed, maar het was mega vet en daardoor veel te veel. De bordjes waren al gauw een soort zwembad van vet. En na eentje hadden we eigenlijk wel genoeg gehad. Maar eten weggooien is not done, dus ja… Elske heeft er met moeite twee en Rogier is het met zweet op het voorhoofd gelukt drie khuushuur te eten. Maar we wisten heel zeker dat we in heel Mongolië geen khuushuur meer hoefden te zien!

P1020365

Om niet het gevoel te hebben dat we moeten wachten tot de ambassade weer open is, zijn we naar Terelj National Park gegaan, op ongeveer 2 uur rijden vanaf Ulaanbaatar. Nog voor we de bus instapten, kwam er een meisje naar ons toe die wel een slaapplek in een ger, de typische Mongoolse huistenten, voor ons had. Eenmaal bij de eindhalte nam ze ons mee op sleeptouw. Over een brug, die wat verstop lag achter een hotel, het gras/boslandschap in. Iedere keer als er gers opdoken dachten we dat we er waren, maar nee. En ze liep steeds harder gezien de dreigende lucht vol onweerswolken en het gerommel, over bruggen van boomstammen met, en later zonder leuning, over hobbelend grasland met her en der poeltjes water. En wij er achter aan op onze slippertjes. Na zo’n 20 minuten flink doorsjouwen vielen de eerste druppels, maar waren we gelukkig net op tijd bij de ger van het meisje. Waar de zussen al begonnen waren met koken. De kleine kids vonden ons maar interessant en kwamen tussen het spelen door steeds even kijken. Of het regent of niet, de kids rennen in en uit de ger, op blote voeten of sokken, het maakt allemaal niet uit. De ouders maakt het ook niet uit. Meestal wordt er een keer gelachen en met een hoofd geschud en als ze echt te smerig zijn geworden, worden schone kleren uit een sporttas onder het bed gepakt. En vervolgens rennen ze weer naar buiten 😀

Even proberen een kleine indruk van een ger voor jullie te schetsen. Een ger is een ronde tent met een deurtje, meestal mooi versierd, en vaak toch wel met een diameter van ongeveer 6 meter. Best groot dus. Altijd rechts naast de deur (op het zuiden) is een soort van keukentje, dat eigenlijk bestaat uit een kastje met borden en kopjes en achter een gordijntje vaak flessen met zelf gestookte ‘mongolian wodka’. Een kraan met stromend water is er niet en dus staan er een paar grote kannen met water dat ergens uit een riviertje is gehaald. De binnenkant van de wanden zijn meestal ‘behangen’ met allerlei kleurrijke kleden van typisch Mongoolse afbeeldingen tot superhelden als spiderman aan toe. In de buitenrand van de tent staan 2 tot 3 bedden en vaak nog een kastje. In het midden zit de houtkachel. De deksel bovenop kan eraf om er vervolgens grote kookschalen op te zetten, waarin de traditionele melkthee of het eten wordt gemaakt. De melkthee, suutei tsai, wordt gemaakt van yak- of geitenmelk, een klein beetje thee en zout. De eerste slokken zijn, eerlijk toegegeven even wennen, maar daarna eigenlijk best lekker. De latjes van het plafond blijken in meerdere opzichten heel functioneel. Natuurlijk om het tentdoek over heen te spannen, maar aan de binnenkant kun je er ook van alles aan hangen en achter stoppen, zoals schriftjes, boekjes, mobiele telefoons, foto’s, tekeningen, pannendeksels, kleding om te drogen, luciferdoosjes etc. Verder is er bijna altijd wel een tv of radio en zie je buiten de ger dan ook grote antennes en zonnepanelen voor wat energie. Een koelkast kennen ze niet en het eten, van gebraden schapenvlees tot melk die aan het indrogen is, staat dan ook onder de bedden. De bedden die overdag als bank om op te zitten. Om het tentdoek op de ger, het dak zeg maar, op de ger te houden, wordt alles gebruikt dat maar zwaar is… Stenen, emmers met zand, oude tandwielen etc. En de wc een diep gat in de grond met plankjes eroverheen en een soort lage omheining erom heen en als je gelukt hebt een heel hokje, zit (ergens begrijpelijk gezien de stank) mijlenver weg. Een douche is er niet.

DSC_0029

In Terelj National Park hadden we een ger voor ons zelf, maar aten we bij de familie thuis. De laatste ochtend hadden we blijkbaar ons ontbijt iets te vroeg besteld. Er lagen nog 4 mensen te slapen! De twee bedden waren nog bezet, maar we moesten ze toch echt als stoel gebruiken. En op de grond lagen nog twee kinderen te slapen. We hebben ons toch wel een beetje verbaasd over waar de twee mensen die wel wakker waren geslapen hadden. Een eigen ger is natuurlijk leuk, maar privacy ho maar! De broer van het meisje zou ons wel eens even helpen met het aansteken van de houtkachel. Wat op zich wel erg fijn was aangezien wij nog niet echt kampeer proof waren en geen aansteker op zak hadden. En het best wel fris werd ‘s avonds. Voor er überhaupt vuur gemaakt kon worden, moest de schoorsteenpijp ook nog gemonteerd worden. De broer bleek nogal een vreemde pias te zijn. Eerst gingen hij en z’n vrouw al ruziën over hoe de elektrische draden aan elkaar geknoopt moesten worden zodat ons lampje het ging doen, waarbij hij steeds naar ons nonverbaal zijn vrouw belachelijk maakte. Eerst was het nog wel grappig. Maar later toen de kachel lekker brandde en wij zo ongeveer naar bed gingen, kwam hij weer terug. ‘Mongolian Wodka!’ waarbij hij wees naar Rogier en zichzelf en naar het dorpje verderop. Daarna sloeg hij zich op zijn keel en zette hij zijn vinger tegen zijn hoofd en maakte rare draaiende bewegingen met zijn hoofd en ogen en dan begon hij wazig te lachen. Ook dat was eerst nog grappig, al begrepen we niet helemaal wat de bedoeling was, maar na een half uur was de lol er eigenlijk wel af… Uiteindelijk ging hij weg en hebben we maar snel de deur op slot gedraaid. Nu was dit typisch zo’n moment, van had je bij moeten zijn. We hebben nog even overwogen een imitatiefilmpje te maken, maar besloten dat toch maar niet te doen. We laten dit maar aan jullie eigen verbeelding over.

De volgende avond hadden we het vuurtje al ongeveer aan toen hij het wel even beter wist… Het had de hele dag geregend en de lucifers waren vochtig geworden en hij kreeg het vuur dus niet aan. Maar daar wist hij wel wat op! Hij pakte de lucifers uit het doosje en strompelde op Elske af en begon aan haar vest te trekken. Geen idee wat hij bedoelde en nietsvermoedend ritste Elske haar vest maar open. Toen hij aan het t-shirt en bh-bandje begon te trekken was het welletjes! Uiteindelijk deed hij zelf maar wat hij bij Elske wilde doen. Raden jullie het al? Nou wij niet, maar hij stopte dus de lucifers onder zijn oksel om ze te drogen. Juist ja! Het doosje moest Rogier boven de kachel houden. En na nog herhaaldelijk zijn mongolian-wodka-slaan-op-zijn-keel-en-gekke- gedraai-met-zijn-hoofd-actie te hebben uitgevoerd, wij waren het ondertussen goed zat, een snoepje in drieën gebeten te hebben en heel lief met ons te hebben gedeeld, waren de lucifers naar zijn idee droog genoeg en werd er weer geprobeerd vuur te maken. Toen het vuur eenmaal brandde kwam het hoge woord eruit: tugrik. Oftewel geld. Met dat geld kon er ook iets te roken gekocht worden waarvan er iets omhoog ging staan… Wat extra duidelijk gemaakt moest worden door Rogier even midden in z’n kruis te grijpen. Hoogste tijd om de beste man de ger uit te bonjouren, of te sain bai nuuen zoals ze hier zeggen. Toen hem duidelijk werd dat wij een dronkenlap geen geld gingen geven om nog meer wodka te kopen en we ook geen wodka en sigaretten in onze tassen hadden, liep hij boos weg waarbij hij zijn pink opstak en de deur dicht smeet. Oké… ‘Ik denk dat die pink niet veel goeds betekent…’ ‘Nee, dat denk ik ook niet… Kom, snel de deur op slot!’ 😀 Denk je daarna een rustig avondje in een national park te hebben, gaat daarna knallende house muziek aan in het dorpje… Zoals, weten we inmiddels, wel vaker het geval blijkt te zijn juist in de nationale parken… Zo jammer.

P1020453

In Terelj national park hebben we een dagje lekker gewandeld in de bergen. Nou ja, lekker. We hadden wat opstartprobleempjes met een pad vinden wat naar de berg ging. We liepen ons steeds dood op te grote stroompjes water. Na minstens een uur rond gedwaald te hebben stonden we weer voor onze ger en bleek dat we totaal de andere kant op moesten. Uiteindelijk vonden we een oversteek en kon het echte wandelen beginnen. Helaas begon het te regenen. Eigenwijs als we zijn, hebben we onze niet zo waterdichte regenjassen aangetrokken en paraplu’s uitgeklapt (van de Chinezen afgekeken) en zijn we verder gelopen. Het was er wel heel mooi, maar in de regen en met grijze lucht lijkt het op de foto’s toch niet echt geweldig. De andere dag wilden we naar de ingang van het park lopen voor een andere wandelroute, maar we moesten nogal ver over de weg lopen om ergens te komen. De dag was dan ook zo ongeveer voorbij toen we eindelijk de Turtle Rock bereikt hadden. Na nog even snel naar het klooster halverwege de bergwand te zijn gelopen, was het tijd om terug te gaan. Gelukkig vonden we vrij snel een lift terug naar het dorpje om daar snel onze tassen te pakken om de bus terug naar Ulaanbaatar te pakken. Die zat helaas tjokvol en moesten we staan. Bij iedere halte dachten we dat er geen mensen meer bij konden, maar tot onze verbazing lukte dat iedere keer toch weer. Na een tijdje werd Elske ineens niet lekker en leek flauw te gaan vallen. Ze wist nog net de mevrouw van de bus aan de mouw te trekken en te gebaren dat ze er nú uit moest, voordat ze op het trapje bij de uitgang gleed voor een klein beetje frisse lucht. De mevrouw van de bus hield heel schattig haar hand vast en aaide over haar hoofd, niet dat Elske daar zelf nog iets van weet, terwijl ze de opeengepakte mensen duidelijk maakte ergens een plek vrij te maken zodat Elske kon zitten. Het werd een stoel bij het raampje. Kijk, zo regel je in een overvolle bus een zitplek 😉

Terug in Ulaanbaatar om wederom het wandelingetje naar de Chinese ambassade te maken. Dit keer waren we op tijd met inleveren en konden we eindelijk echt op pad. Eerste stop moest Khatgal worden, een dorpje aan het mooiste meer van Mongolië, Khovsgol Nuur. We waren net op tijd op het busstation om de bus van 3 uur te pakken. Die vervolgens om 4 uur vertrok en uiteindelijk zo’n 14 uur zou duren. Vlak voordat we vertrokken kwam de passagier die naast ons zat. Een nogal hele grote Mongoolse meneer die bijna 1,5 stoel in beslag nam… Gelukkig was er een rij voor ons een stoel leeg en verkaste de grote man, waardoor we gelukkig weer een eigen stoel hadden om de nacht op door te brengen. Slapen kon je het helaas niet noemen. De bus stopte zo vaak, waarbij dan ook gelijk alle bouwlampen werden aangezet, zodat je gelijk wakker was. En midden in de nacht, na een plas-pitstop, de radio weer keihard aan zetten helpt ook niet mee, meneer de buschauffeur! Al was het wel grappig dat er best veel mensen mee gingen zingen met bepaalde liedjes. Om 5.30 uur werden we uit de bus gezet in Moron, hier moesten we nog even pinnen en overstappen op een andere bus. Achtervolgd door taxichauffeurs en met een Koreaans meisje, die het allemaal wel erg spannend vond, op sleeptouw, vonden we uiteindelijk de pinautomaat. Maar die bleek pas na 9 uur ‘s ochtends te werken. Gelukkig was de pinautomaat in een hokje waar licht én een ‘kachel’ brandde. Fijn als het buiten koud, donker en wat onprettig is. Seok Yeong en Elske hebben de oogjes nog maar even dichtgedaan en verder geslapen in de pinautomaat 😉 Nadat Moron ook uit haar slaap was ontwaakt, we hadden ontbeten met khuushuur (ah, daar is ie al weer! En smaakt goed!) en een nutteloos bezoek aan de touristinformation, bleek het vinden van het volgende vervoer in Moron ook nogal een opgave. Toen we na uren rondslenteren dachten dat we geen busje meer konden vinden, was er toch nog iemand die wel wilde rijden, jeuh! Deze vreugde was van korte duur, want al gauw stopte hij en gaf hij aan dat hij eerst meer passagiers moest hebben voor hij vertrok en werd duidelijk dat we tot 5 uur moesten wachten. Dat was toen nog zo’n 4 uur wachten… Uiteindelijk vertrokken we na ruim 5 uur wachten en werden we na een kleine 2 uur rijden voor de deur van het fijne MS Guesthouse in Khatgal afgezet. Dat was wel weer luxe! Toen we trouwens in Moron aan het rondleuren waren op zoek naar een taxi, voelde één van die taximannen aan Elskes tas. En was onder de indruk, of verklaarde ons voor gek (wij houden het even op de eerste), van hoe zwaar die was. Toen werd Rogiers tas opgetild en werd er nog drukker gepraat. Dat was natuurlijk aanleiding voor alle 5 ofzo taximannen om onze tassen op te tillen, terwijl wij ze gewoon ophadden. Vervolgens werd er, denken we, druk gegokt over hoe zwaar ze wel niet waren en werden er vervolgens getallen in het zand geschreven. Ze zaten er dicht in de buurt…

Khovsgol Nuur is volgens de Mongolen het mooiste meer van Mongolië en heeft de bijnaam ‘de blauwe parel’. En een blauw pareltje is het! Super mooi diep-blauw water, zoals we dat eigenlijk alleen gewend waren van oceaan. Het gevoel van oceaan werd nog een keer versterkt door alle meeuwen die het meer aan zien voor de zee… Met een lengte van 136 km net iets te groot voor een wandelingetje er omheen, dus besluiten we de omliggende heuvels te verkennen op zoek naar een mooie view op het meer. Boven op de toppen vinden we een soort stoepa’s gemaakt van takken versierd met blauwe linten en paardenschedels…?! Later blijkt dat het ‘Ovoo’s’ zijn en helemaal niet Boeddhistisch maar Shamaanistisch (leuke 2 voor 12 vraag: welke Nederlander heeft de term Shaman geïntroduceerd in het westen aan het einde van de 17e eeuw? Nicolaes Witsen). Dan passen die paardenschedels een stuk beter… want Shamanen lopen rond met een ketting van schedels, een cape van wolvenvel die rood geverfd is met bloed en eten jonge vogeltjes voor ontbijt… denken we… want we hebben geen Shamaan gezien. Oh ja, die blauwe linten zijn niet omdat het meer zo blauw is, maar om de luchtgoden te eren. Na een semi viewpoint gevonden te hebben, genieten we nog even van het blauw van het meer dat mooi naar azuur verloopt als het ondieper wordt. Dan gaan we terug om ons voor te bereiden om net als de Mongoolse veroveraars op Mongoolse paarden te rijden de volgende dag. En de 5 dagen daarna. En nee, we kunnen niet paardrijden 😉 Dus stiekem is het ook wel een beetje spannend.

P1020617

Vroeger waren de Mongoolse krijgers kleiner of de paarden groter, want de ‘paarden’ lijken een beetje pony formaat. Ze zullen wel heel sterk zijn, hopen we, want ons pakpaardje wordt redelijk volgeladen en daarna kéíhard ingesnoerd. Visualiseer twee Mongolen die hun knie tegen de tassen zetten en dan echt onbenullig hard met hun hele gewicht beginnen te sjorren. Als ons pakpaardje begint te ademen als Darth Vader, blijkt dat het teken te zijn dat het goed strak zit en kan er een knoop in de touwen. Wij krijgen chaps omgeknoopt en dan de beloofde ‘paardrijles’. Die we geheel extra gratis aan jullie zullen leren, komt ie: pak je teugels, altijd vast blijven houden, en dan is links links, rechts rechts, naar achter remmen en gas geven doe je door ‘chuu’ te roepen (vet hip die spraakherkenning). Okay we go! Sturen lijkt prima te gaan op zo’n biologische auto, maar gas geven daarentegen minder. Al snel blijkt ‘chuu’ roepen niet echt genoeg, dus moet je flink je hakken in de zijkant van je biologische auto zetten. ‘Sorry ‘horsie’, maar dan moet je ook maar gewoon lopen’. Maar ook dan is het resultaat wisselend… (je krijgt in ieder geval geen deuken, althans niet blijvend) hadden we maar van die mooie cowboylaarzen met van die mini pizzasnijders eraan. Ze lijken vooral in hun eigen tempo achter het paard van onze gids aan te sjouwen. Raken ze te ver achter dan trekken ze een even drafje of een onverwachts galopje… Hadden we al gezegd dat onze ‘Russische’ zadels bestaan uit een frame van planken die bij elkaar worden gehouden met stalen beugels en daar bovenop een vrij dik kussen. Tenminste zo was dat 10 jaar geleden… Inmiddels is het kussen vrijwel niet meer aanwezig. En natuurlijk uitgerekend precies op die plekken waar het kussen je zou moeten beschermen tegen dat staal en hout. De in films altijd zo elegant uitziende ruiters in draf of galop lijken in ons ver te zoeken. In de praktijk voelt het meer als een zak aardappelen op een hobbelpaard. Bij eerste stop stapt Rogier dan ook af met zware kramp in kuiten, van het staan in de beugels om z’n kont te sparen. Nog een nadeeltje van de biologische auto is het tanken. Gras is dan wel lekker goedkoop en overal ruim voorradig in Mongolië, het betekent ook dat als de benzine letterlijk voor het oprapen ligt, het nogal verleidelijk is voor onze biologische auto om onverwachts even bij te tanken. Waardoor je zo ongeveer voorover over je paard getrokken wordt, want die teugels moest je altijd vasthouden. Gelukkig kun je altijd nog het ‘autopaard’ aanzetten, door de teugels over één van de stalen uitsteeksels te hangen. Kan hij niet meer onverwachts bijtanken en sjokt hij automatisch achter het paard van de gids aan. Kon Rogier ondertussen ook nog wat foto’s maken 😀 Een zogenaamde win win situatie.

Wat een rustig begin dagje had moeten worden van 2 a 3 uur, klokt uiteindelijk op ruim 6 uur als het stopsignaal ‘sleep?’ door onze gids wordt geroepen. Waarna wij als echte ‘raskampeerders’ vrij vlot onze gehuurde tent opzetten. We moeten zeggen dat onze gids een mooi plekje heeft gekozen. Good good! Koken doen we op een houtvuurtje in een van buiten en binnen zwart geblakerde pot. Gelukkig heeft de gids een stuk yakvlees meegenomen, zodat we niet alleen kale pasta met saus hoeven te eten. Zout, knoflook of andere smaakmakers zijn we namelijk vergeten. Een boomstam is een prima snijplank voor het yakvlees en na het snijden kan de rest van het vlees op de boomstam nog lekker even verder besterven voor het uiteindelijk na een paar uur weer opgeborgen wordt in de zadeltas. Hoewel we nu vlees hebben, blijkt onze gids de pot saus niet te herkennen en hebben we de eerste avond alsnog een kaal maaltje van pasta en gekookt vlees, zonder smaak. Wel lekker Mongools…

De volgende dag zitten we al een stuk eleganter in het zader en staat de volgende 6 uur op het programma. Dit is dan wel exclusief thee drinken bij diverse gers. Onze gids blijkt een echte theeleut te zijn. Elke ger wordt aangegrepen om ‘even’ (lees: een half tot anderhalf uur) thee bij te tanken. De thee wordt vergezeld van een pan met stukjes gedroogde yoghurt, oliebolachtige brooddingetjes en stukjes keiharde gedroogde kaas(?). Waar wij beschaafd één kopje thee nemen, schenkt onze gids het liefst de hele theepot leeg. Stond er bij de do’s and dont’s niet dat je moest wachten tot de gastvrouw je wat inschenkt?! Als de theekan leeg is, is de volgende logische stap wodka! Mongolian wodka… In lege ‘colaflessen’ wordt eigen gestookte wodka bewaard en verkocht. En als er dan zo’n fles, verstopt achter het keukengordijntje, tevoorschijn komt, moet hij natuurlijk wel leeg. Nu vindt Rogier dat natuurlijk niet zo’n probleem en drinkt met een fijne glimlach elk rondje mee. Bij elk kopje vindt een klein ritueeltje plaats waarbij je je vinger in de wodka doopt en dan een druppeltje elke windrichting in schiet om de luchtgoden te eren, daarna veeg je je vinger af op je voorhoofd. De, in de LP geprezen, Mongoolse gastvrijheid is wodka technisch ver te zoeken. Zo gauw ze iemand horen aankomen, wordt er heel snel gekeken wie het is en meestal moet rap rap, en dan bedoelen ze ook rap, de wodka worden verstopt. Ook wordt dan de hele ger snel netjes gemaakt en het gordijntje weer netjes voor de ‘keukentjekastjes’ gehangen. Erg komisch! Er wordt nog even geïnformeerd of wij getrouwd zijn… Als we duidelijk hebben gemaakt dat we niet getrouwd zijn, maar wel al 11 jaar samen zijn en geen kinderen hebben, wordt er onthutst uitgebeeld of we dan wel ‘humpie humpie’ (deze omschrijving past het beste bij de uitbeelding, hebben jullie een beeld?) doen?!? Een colafles wodka later is het tijd om te gaan en voel je je zadelpijn ook niet meer. Dus een relaxt laatste stukje naar het grasveld waar onze gids het stop commando ‘sleep?’ roept. Tenminste voor Rogier een relaxt laatste stukje. Op Elske’s spijkerbroek zit achterop een vlek die wel erg op een bloedvlek lijkt. Maar pijn is een keuze en zorgen zijn voor morgen, dus kunnen we aan het avondeten beginnen. Stenen en houtjes verzamelen om een vuurplaats te maken en vervolgens geduld oefenen tot het ijskoude water kookt. Maar daarna heb je ook wat: pasta met yakvlees. Want yakvlees blijk je prima 2 dagen in 30 graden plus te kunnen bewaren. Dit keer kunnen we de gids duidelijk maken dat wij wel graag wat saus bij de pasta willen en hebben we deze avond een best redelijk maaltje.

P1020904

De volgende dag hebben we een prima vooruitzicht, want aan het einde van de dag kunnen we ons onderdompelen in de hotsprings bij Chandman Ondor. Maar eerst stappen we met onze biologische auto weer door de mooie bosrijke omgeving en wordt er uiteraard weer meerdere malen thee gedronken bij gers en blokhutten…ja blokhutten. Met die bergachtige en bosrijke omgeving vol blokhutten en edelweiss waan je je net in Zwitserland. Al hoef je daar niet bij elke blokhut ’Nokhoi Khor’ te roepen. Wat zoiets is als ‘hallo?’, maar letterlijk betekent ‘hou de hond tegen!!’. Wat in dit geval betekende dat het vrouwtje letterlijk bovenop de hond ging liggen, totdat wij de blokhut in waren. Welke strikt verboden terrein is voor de honden. Leken de hondjes tot nu toe vrij vriendelijk, al blaffen ze wel heel hard en heel lang, was dit toch wel even een waarschuwing om niet niets vermoedend op een ger/blokhut af te stappen (of was dat al de toerist die we een paar dagen eerder tegenkwamen met een been waarvan een forensisch analist prima zou kunnen afleiden welke hond dat geweest zou kunnen zijn…).

Bij de ger waar thee-pitstop nummer twee is, krijgen we het antwoord op nog zo’n 2 voor 12 vraag. Intro: In Mongolië zijn luiers niet zo voorradig op het platteland. De kinderen dragen vaak alleen een super dikke trui, alsof de winter in de zomer is, maar verder niets. Vraag: Wat doet men nu als het kindje moet plassen? Antwoord: Ze doen niets 😀 De baby plast gewoon op het vloerkleed en that’s it. En dat gebeurde dus net toen we onze pot jam hadden rondgedeeld en onder dat sproeiende piemeltje werd doorgegeven 😉 Daarna valt er ook nog een dikke klodder jam op het vloerkleed waar het vrouwtje precies in gaat staan en je de jam tussen d’r tenen ziet uit komen. Maar ook dat geeft nul reactie en loopt ze dikke klodders jam over het hele vloerkleed heen. Je vraagt je dan wel een beetje af wat er allemaal al meer over die vloerkleden is gegaan waar we steeds op zitten 😉 Met ‘weerstand opbouwen’ zijn we in ieder geval lekker bezig. Na flink theeleuten, we hebben wel twee uur gezeten, rijden we door naar een mooie ‘sleep’plek, good good, bij de hotsprings waar we tegen het donker aankomen. Bij hotsprings hadden we op z’n minst een soort van baden in de rotsen of op z’n meest een soort van spa in gedachten. De waarheid ligt ergens in het Mongoolse midden. Het blijken een aantal nogal brak in elkaar getimmerde huisjes, met daarin een vierkant gat in de houten vloer, waar een warme stroom water vanuit de heuvel in uitkomt en als je geluk hebt een laddertrap om je in het water te laten zakken. Elk huisje heeft zijn eigen temperatuur en buiten op de huisjes staat netjes de temperatuur van het water aangegeven. Aangezien half werk maar half werk is, besluiten we maar gelijk in hotste hot spring te duiken. Hebben we ook weer geleerd dat 48 graden meer dan half warm is en eigenlijk net niet relaxt meer is… Poeh hé! Maar wel echt heel lekker om na drie dagen weer eens een keer te badderen!!

De volgende ochtend voor we vertrekken doen we nog een snelle dipactie en dan beginnen we aan de laatste drie dagen terug. Al snel hebben we het gevoel dat de terugweg wel erg op de heenweg lijkt. Al weten we het ook niet helemaal zeker… Elke grasheuvel ziet er ongeveer hetzelfde uit. Bij de lunch stop proberen we de gids met een kaart duidelijk te maken dat we graag en andere weg terug willen rijden. Hij lijkt het te begrijpen en roept zoals zo vaak ‘good good’. Maar als we op een gegeven moment bij een veld met een watertje aankomen weten we toch wel vrij zeker dat we hier op de tweede dag de eerste kennismaking met de Mongolian wodka hadden. We stoppen weer bij een ger en nog tijdens het thee drinken komt er een colafles op de tafel. De dop gaat eraf en het ronddelen kan weer beginnen. Gelukkig accepteren ze van vrouwen iets makkelijker dat ze niet veel drinken en komt Elske er weer mee weg om alleen van het eerste schaaltje een paar nipjes te nemen, bleh!! Deze mevrouw weet wel hoe ze wodka moet stoken, want het is de sterkste tot nu toe geproefd. En onze gids en Rogier drinken dapper door. Als de fles bijna leeg is, wordt er een tweede voor de dag getoverd. Onze gids had nogal last van zijn rug en wodka lijkt hem een prima pijnstiller 🙂 Maar die moet weer heel snel worden verstopt omdat er meer bezoek in aantocht is. Het blijkt de man te zijn die we kort daarvoor zwervend door het veld zagen gaan. Hij blijkt nogal dronken te zijn en de mevrouw van de ger is zeker niet blij met zijn komst. Hoewel we geen Mongools verstaan is de strekking door de toon en de hoofdgebaren meer dan duidelijk. Onze gids vindt het daarentegen wel gezellig om een drinkmaatje, die hij wel verstaat, te hebben en de wodka wordt weer rondgedeeld. Dat onze gids het gezellig vindt, blijkt ook wel uit zijn voorstel om in de ger te eten en vervolgens te willen blijven slapen. Eten lijkt ons een goed idee en het laatste stuk yakvlees (we zijn op dag 4 inmiddels) wordt overhandigd aan de vrouw des gers. Ze kijkt wat bedenkelijk, draait het om en om in haar handen, ruikt er een keer aan en begint er uiteindelijk toch maar kleine stukjes van te snijden. Tot onze grote vreugde eten we buuz, Mongoolse dumplings. We hadden eigenlijk niet echt zin in weer pasta. Het aanbod om te blijven slapen slaan we af en als we de ger verlaten gebaart de gids dat we de verstopte fles wodka vooral in onze tas moet stoppen. Samen met nog wat broodkoekjes en gedroogde yoghurt…

Eenmaal weer in het zadel krijgt onze gids het op de heupen. Hij ziet een meisje een kudde koeien richting ger hoeden en besluit heldhaftig haar te helpen. De teugels van het pakpaard krijgt zij in de hand geduwd en onze gids gaat achter wat verloren geraakte koeien aan. Aangezien wij ook op een paardje zitten, besluiten we ook maar wat te helpen. En dat ging eigenlijk best aardig! Na nog zo’n 100 meter besluit de gids dat het welletjes is: ‘sleep!’ wordt er geroepen en hij staat al naast zijn paard. Nadat hij de bagage van het pakpaard heeft getrokken en er zelf naast is gaan liggen, beginnen wij maar met het opzetten van onze tent. Af en toe kijken we elkaar met een scheef oog aan en ja hoor, na een paar minuten lijkt onze gids te slapen… De Mongolian wodka doet goed zijn werk 😉 Maar ja, daar staan wij dan met een slapende gids en vier paarden! Gelukkig wordt de gids weer wakker en weet hij het nog net voor elkaar te krijgen om de zadels af te halen. Vervolgens duwt hij Rogier de touwen van de paarden in de handen en gebaart hij waar hij ze vast moet zetten ‘hier?’ ‘Good, good!’. Ondertussen heeft hij bij twee kinderen die water uit de rivier kwamen halen, geregeld dat hij bij hen in de ger slaapt (nadat hij ze nog wat probeerde te paaien door de wodka aan te bieden… lekker bezig meneer de gids) en hoewel zij ook wat bedenkelijk kijken, laten ze hem en zijn paard toch mee gaan. En… Weg is onze gids… Daar staan wij dus met 3 paarden en alle zadels en spullen. Rogier heeft de pinnen om de paarden mee vast te zetten goed hard de grond ingeslagen. Die paardjes gaan nergens naar toe vannacht. Alle spullen wisten we maar net in onze tent te proppen en toen zijn we maar gaan slapen. Mensen met slaapproblemen zouden trouwens moeten gaan overwegen om te gaan paardrijden. Gewoon lekker langzaam een beetje rondstappen, liefst in de zon. Hoe mooi Mongolië ook is, wij werden af en toe bijna in slaap gewiegd door het langzaam hobbelen op onze paardjes en hebben af en toe, stiekem, onze oogjes heel even dicht gedaan. Tot er een hap gras wordt genomen en je weer bijna voorover van je paardje schiet…

P1020939

De volgende dag zouden we in één keer doorrijden naar Khatgal in plaats van nog een overnachting. Maar toen we de volgende dag wakker werden was onze gids nergens te bekennen… Zijn paard stond ook niet bij de ger waar hij was gaan slapen… Gelukkig stonden de andere drie paarden nog netjes op hun plekje. Na maar vast ingepakt te hebben zijn we een kijkje gaan nemen bij de ger. Het bleek de ger te zijn waar we op de tweede dag thee en wodka hadden gedronken en ook nu werden we binnen geroepen om thee te drinken. Op onze vraag of de gids ook ergens was werd geknikt dus het zou wel goed zijn. Na een derde kopje thee kwam hij zowaar binnen gestrompeld en maakte duidelijk dat hij geen vuur ging maken voor het koken van een ontbijtje. Dus namen we nog maar een extra kopje thee en wat broodkoekjes. Uiteindelijk werd het tijd voor het opzadelen van onze paardjes. Maar toen we bij de tent kwamen bleek onze groene tent er voor de koeien als een soort supergras uit te zien en hadden ze zich allemaal om de tent verzameld. Nou ja om, bovenop zul je bedoelen… Grote scheur in het doek als gevolg. En de mevrouw van het MS Guesthouse had ons nog zo duidelijk gemaakt zuinig te zijn en gezegd dat we anders een ‘boete’ moesten betalen… Maar no worries, onze gids weet raad. Hij haalt naald en draad bij de ger en begint het tentdoek weer aan elkaar te naaien. Het lijkt ons een niet echt zinnige actie, maar laten hem zijn gang maar gaan. Dat duurde wel een tijdje, maar uiteindelijk moeten we toegeven dat hij het netjes heeft gedaan! Good, good! Al krijgt hij nog wel wat commentaar van de vrouw van de ger dat je ergens de knalgele draad nog aan de buitenkant ziet. Na het opzadelen van de paarden kotst onze gids nog even de laatste restjes Mongolian wodka uit en dan: ‘we go?!’ En daar gingen we dan. Heel rustig… terwijl we eigenlijk een beetje tempo wilden maken om in één dag in Khatgal te komen. Maar de maag van onze gids trekt dat niet en zo gauw er een ger is maken we een pitstop om thee te drinken. En vers gebakken brood met heel veel zelf gemaakte vette boter en heel veel suiker te eten (ook heel erg lekker!!) en dan zelfgemaakte yakyoghurt met weer heel veel suiker, en dan zelf gemaakte yakkaas (leek wel soort brie) met suiker?! en daarna nog een andere soort hele vette machtige kaas en daarna nog een broodje met roomboter en suiker en nog meer thee. Dat ze dit zelf erg lekker vond was wel duidelijk! Toen de gids voorstelde om hier te eten hebben we maar bedankt. We zaten inmiddels propvol. Nadat we verder waren gereden begon het helaas te regenen en omdat de gids zich te slecht voelde om tempo te maken, moesten we toch nog een keer ons minikamp opslaan en pasta, zonder yakvlees, eten.

De volgende dag regende het nog steeds… Uren gewacht tot de lucht minder grijs werd, maar helaas zonder resultaat en vertrokken we uiteindelijk in de pissende regen naar Khatgal. En koud dat het was in de regen en de wind: dit is geen vakantie!! Na uren verkleumd op het paardje te hebben rond gestapt, wil onze gids bij een ger thee drinken. Maar Elske maakt goed duidelijk dat we dat niet gaan doen. Khatgal is al te zien en het enige dat ze wil is in één streep doorrijden, ook al zijn onze handen zo koud dat we de teugels amper vast kunnen houden. De gids kijkt nogal beteuterd maar zet vervolgens de draf in! Even later doet hij nog een poging tot een thee pitstop en staat al naast zijn paard, maar bij het zien van Elskes hoofd stapt hij uiteindelijk toch maar weer op zijn paardje 😀 We zijn totaal doorweekt… Nog een nadeel van de biologische auto: ten eerste er zit geen dak op en ten tweede ze schrikken van plastic, dus regenponcho ho maar, hele paard op tilt. Uiteindelijk kwamen we na wat een eindeloze dag leek aan bij het MS Guesthouse en weten we niet hoe snel we bij de warme douche moeten komen!! Gelukkig brandt er al een vuurtje in onze ger en kunnen we ook gelijk al onze spullen die zeiknat geworden zijn te drogen hangen. Dus wij de tent ook maar even bij de kachel uitgevouwen. Hadden we zo netjes die scheur genaaid, vliegt zo de hele tent in de fik. Althans, zo ging het in het hoofd van de jongen van ons guesthouse, die zich helemaal het apelazerus schrok toen hij de tent zo dicht bij de kachel zag liggen. Op zich had hij wel een puntje, want als je een beetje je best doet met fikkie stoken, kun je prima in je nakie door de ger rondlopen en krijgt het staal van de kachel een aangenaam oranje gloed. Wel handig want in de winter is het er wel eens -50….??!!! BRRRRR!!!!

P1030187

De volgende dag pakken we de minivan in de vorm van een auto terug naar Moron, waar we nog net op tijd de tweede en laatste dag van het Nadaam festival kunnen meepikken. Vanaf ons guesthouse konden we er lopend naar toe. Toen we bij de hoek van de schutting kwamen, was het alleen nog een groot veld over. En toen we daar liepen, werden we aan alle kanten in rap tempo voorbij gesjeesd door motors volgepakt met 3 tot 4 mensen, paarden in galop, auto’s, vrachtwagentjes met daarop nog paarden, trucks etc. Veel mensen waren gekleed in traditionele kleding. Het gaf ons een gevoel alsof er heel wat te gebeuren stond! Misschien kwam het ook omdat we het eindelijk presteerden om eens op tijd te zijn voor een festival 😉 Maar goed, de Nadaam dus. Wat zoiets zijn als de olympische spelen van de Mongoolse sporten. Denk aan races met biologische auto’s, soms ook tegen mechanische auto’s, worstelen natuurlijk, boogschieten, arend jagen en enkelbotschieten. In de praktijk lijkt het echter meer op een kermis. Waar je allerlei kermisspelletjes kunt doen, zoals proberen met mega botte dartpijlen extra sterke ballonnen kapot te gooien, met papieren ballen te zware blikken proberen om te gooien, een onmogelijke tijd aan een rekstok hangen en meer van dit soort spelplezier. Ondertussen wordt er geworsteld en paardgeraced, waarbij de hele massa toeschouwers naar de paardrijbaan of het worstelveld verkast. Zo wisten wij ook precies wanneer we waar moesten zijn, best handig. Paardracen wordt voornamelijk gedaan door kinderen die zonder zadel, want anders ben je geen echte man, in volle galop de finish proberen te halen. De meeste gaan echt keihard! Al was er ééntje die op een gegeven moment maar afstapte en lopend de finish probeerde te halen, al had zijn paard daar ook geen zin in… Het worstelen is lekker traditioneel. De worstelaars hebben een mooie traditionele outfit en ook de scheidsrechters zien er picobello uit. Voordat de, over het algemeen nogal grote, mannen elkaar te lijf gaan, vindt er een mooi dansje rondom de scheidsrechter plaats. De scheidsrechters doen overigens niet veel anders dan de hoedjes van de worstelaars vasthouden en ze af en toe een lekkere klap op de kont geven als ze lui bezig zijn. Het idee is dat als je op de grond gaat liggen, dat je dan af bent. En dat gaat soms best snel. Niet alleen de worstelaars hebben een traditionele outfit, ook toeschouwers zien er op hun Mongools best uit, wat fototechnische natuurlijk handig is. Sommige nemen ook hun paard mee, want dan kun je als je achteraan staat alsnog wat zien. Last but not least kun je er natuurlijk lekker eten. khuushuur met een verse salade met dille?! (wat krijgen we nu? Kruiden?!?) en BBQ stokjes die nog even worden opgewarmd op een open vuurtje door het BBQ meisje. Zo kunnen we met goed gevulde magen én sd-kaartje weer naar huis.

De volgende dag probeerden we uit te vinden hoe we met het openbaar vervoer in het westen of in het noorden kunnen komen. Maar de meneer van het guesthouse, de enige die Engels spreekt, is zelf niet aanspreekbaar. Er werd gezegd dat zijn vlucht vertraging en hij een jetlag had. Wij verdenken een flesje mongolian wodka… Na uren wachten, tijd die we nuttig hebben besteed om een stuk van ons verhaal over China te typen, kwamen we niet veel verder. Al onze vragen moesten worden uitgezocht en de volgende ochtend zou hij meer weten. Zo werkt dat hier in Mongolië en ons reistempo gaat hier drastisch omlaag. En eigenlijk bevalt dat wel 😉 Om de dag nog een beetje leuk af te sluiten doen we ‘s avonds een toertje naar de mysterieuze rendierstenen. Zo’n 2500 tot 4000 jaar oude stenen met wat abstracte afbeeldingen van rendieren erop. In Uushigiin Uver staan er 14 bij elkaar, in een super mooie omgeving. Helaas wel achter een hek. De om het slot heen gewikkelde ijzerdraad, moet nog wel even losgemaakt worden, maar dan kunnen we exploreren tussen de menhirachtige stenen Hier zien we ook nog een slang, die zich helaas veel te snel verstopte. We kunnen nog wat mooie plaatjes kunnen voor de zon, iets vroeger dan wij gepland hadden achter de wolken schuil gaat.

P1030348

De volgende dag wordt het avond in plaats van de beloofde ochtend voor we meer informatie krijgen. Maar het blijkt in ieder geval dat we ook zonder paspoort, die ligt namelijk nog steeds bij de Chinese ambassade, een permit voor het gebied van de rendienen kunnen krijgen. Helaas geldt dat niet voor het westen. Ook het openbaar vervoer naar het westen werkt niet echt. Toen we bij de minivan stand vroegen of er vervoer naar Ulaangom was, werd er moeilijk gekeken en uiteindelijk werd er geroepen: ‘Moron – Ulaanbaatar, Ulaanbaatar – Ulaangom, good good!’ Good good?? Dat betekende dus 14 uur terug naar het oosten naar Ulaanbaatar om de volgende dag te beginnen aan een rit van 42 uur richting het westen, een bus die waarschijnlijk weer langs Moron zou rijden?! Maar als dat toch de handigste weg was, konden we wel gelijk ons paspoort ophalen en konden we ook weer permits voor het Altai gebergte in het westen aanvragen. Oftewel, alle opties lagen nog open.

Maar de rendierstenen vonden we wel een goed voorproefje om rendieren eens in het echt te gaan bekijken. De Tsaatan stam zijn mensen die in het noorden van Mongolië leven met én van rendieren. De streek waar zij wonen heet Darkhad Depression en dat klonk nou niet heel uitnodigend. De grond noemen ze daar taiga, wat ongeveer betekent: super zompige grond waarvan het lijkt dat je erop kunt lopen, maar dan ineens tot aan je navel in de blubber zit. Maar we besloten toch maar te gaan 🙂 Die taiga betekent dus ook dat je er niet met de gewone auto kunt komen en de biologische variant weer ingeschakeld moesten worden. Maar voor het zover is, is het eerst wachten op mooi weer… Het regent hier namelijk pijpenstelen en aangezien er geen goten en riolering zijn, betekent dat het buiten één grote modderpoel is. Maar na twee dagen vertrekt er aan het einde van de dag eindelijk een Russische minivan richting het noorden. Want voor we op ons paardje kunnen stappen is het eerst nog 10-12 uur richting Tsagaannuur. Een rit die al snel de verharde weg verlaat om hard verder te hobbelen door het open veld en de bossen. Zo eentje waar Elske haar wagenziek pilletjes graag bij de hand had willen hebben… Gelukkig maken we redelijk snel een pitstop om te plassen en mogen we de backback nog even achter uit de auto halen. Snel maar twee pilletjes genomen en daar gaan we weer. Rond 22.30 stoppen we bij een paar met ledlampjes verlichte huizen die vanuit het niets opdoemen. Blijkbaar gaan we nog eten. En na eerst afgeslagen te hebben, is er gelukkig genoeg gekookt om toch een bordje Tsuivan te eten, die verrekte goed smaakt. Daarna hobbelen we verder en aangezien het zo hard geregend heeft, zijn de stroompjes die we moeten oversteken inmiddels flinke rivieren geworden… Nu blijkt de Russische minivan een soort van amfibie voertuig en er is maar één rivier waar we door een hele grote truck door heen getrokken moeten worden. Dit alles in het holst van de nacht. Hierdoor duurt de rit uiteindelijk zo’n 17 uur…

Bijna zijn we blij met de grijze regenachtige lucht als we rond 11 uur aankomen in Tsagaannuur. Want regen is geen goed weer om met de paarden op pad te gaan. En zo hebben we een heel goed excuus om die dag even bij te tanken in een guesthouse waar we heerlijk een houtkackel in ons kamertje hebben en we nog even fijn en warm kunnen douchen. Je moet wel even wachten tot het water war is want dat word ook met een houtvuurtje warm gestookt. Dat was in Moron niet meer gelukt; door de harde regen was het paadje naar douche helemaal blank komen te staan… De volgende dag is de lucht blauw en hebben we goede zin. Voor we kunnen vertrekken moeten we nog even langs de militairen om onze permits te laten zien. Deze zouden als het goed is gefaxt zijn… Dus lopen we eerst naar de bank, die in een houten schuurtje zit, want die blijken een fax te hebben die voor dit soort dingen misbruikt mag worden. De permit blijkt een nogal vaak gekopieerd papiertje waar onze namen met de hand bijgekliederd zijn. Dan kunnen we aangemeld worden bij de militaire basis. Onze gids vraagt om onze paspoorten, maar die liggen nog bij de Chinese ambassade… Dus gaan we zelf maar mee. Uiteraard blijkt het kopietje en onze eerlijke gezichtjes niet genoeg en vertrekt onze gids op de motor met iemand en staan wij nog maar te wachten. Na een tijdje komt hij terug met een officiële stempel op het eerder opgehaalde papiertje. En even later arriveert er ook een Russische minivan, hé het is onze taximeneer (hij bewaart trouwens zijn kauwgom achter zijn oor…), die uiteindelijk met onze permits op pad gaat. Na wat best lang wachten lijkt, komt hij terug en schijnt het oké te zijn, we mogen gelukkig toch nog naar de rendieren.

P1030427

De paardjes worden weer bepakt en bezakt zoals we dat gewend zijn en na nog een 2 uur wachten op geen idee wat, gaan we op pad. Na zo’n 1,5 uur rijden stoppen we bij het huis van onze gids. Zijn kids springen hem tegemoet en binnen krijgen we thee en brood met boter en suiker. Fijn aangezien het inmiddels wel ruim tijd was voor lunch. Ook hier werd er een fles Mongolian Wokda tevoorschijn getoverd en die uiteraard eerst leeg moest voor we verder konden rijden. Daarna was het maar een heel kort stukje naar het huis van de gids van de twee Israëlische toeristen die tegelijk met ons vertrokken. Ook hier drinken we thee en eten we wat en dan kan de lange rit echt beginnen. De Israëliërs hebben duidelijk meer moeite met het drafje van de paarden. De een zit nog moeilijker en krampachtiger dan de ander. Blijkbaar wierp onze 6 daagse ervaring zijn vruchten af. Wel had Rogier een nog slechter zadel (blijkbaar was dat mogelijk) dan we bij de eerste trekking hadden. En dit keer had Rogier aan het einde van één rijdag een gat in zijn gat… De dag duurde wel wat lang, of dat leek op zijn minst zo, want we waren ook laat vertrokken. En toen ons om 17 uur werd verteld dat we nog zo’n 5 uur moesten rijden, brak het zweet ons, en vooral de Israëliërs, toch wel een beetje uit. Dat betekende dat we pas na het donker aan zouden komen. Maar goed, terug was natuurlijk geen optie en een tent hadden we ook niet, dus we moesten verder. Onze paardjes hadden daar duidelijk geen zin in en stonden om de haverklap stil om lekker mals en sappig grasbenzine te eten… Hoe harder wij ‘chuu’ riepen, hoe meer ze leken te gaan eten. We verdenken deze paarden er ernstig van uit Engeland afkomstig te zijn. In dat geval klinkt ‘chuu’ als ‘chew’ en volgden ze onze bevelen alleen maar keurig op… Na nogal wat nogal harde zweepslagen van onze gids lopen de paarden eindelijk soort van verder. En na een lange rit door het bos komen we bij het meer waar de Tsaatan mensen op dat moment hun tipi kamp hebben opgezet en zien we voor het eerst rendieren! WAUW! Dat was wel echt super gaaf! Echt sprookjesachtig mooie dieren en sterk want je kunt er als volwassene prima op rijden. Waarom zie je de kerstman nooit op Rudolf rijden eigenlijk? Nou ja misschien is de kerstman iets te zwaar met zijn dikke bierbuik… Aangezien het al laat was werden we gelijk de tipi ingeduwd waar we gelukkig nog op tijd waren om wat mee te eten. Soep met rendier vlees. Konden we gelijk even testen of ze ook sprookjesachtig smaken… dat is niet het geval, maar verder een prima soepje! Daarna was het tijd om een vuurtje te stoken in onze eigen tipi, want het werd behoorlijk koud ‘s nachts.

P1030820

Als wij de volgende ochtend wakker worden, zijn de rendieren al lang en breed op zoek naar lekkere grasjes 🙁 We besluiten daarom maar om naar de met sneeuw bedekte top van één van de bergen te lopen. Niet de meest efficiëntste route over de bolders, maar het was wel erg mooi. Onderweg komen we nog de kudde rendieren tegen, die er bij het horen van een Russiche militaire helikopter helaas als een haas vandoor gaan. En dan bereiken we eindelijk de sneeuw. Mooi hoor, maar het loopt voor geen meter als er onder bolders en keien en smeltwater riviertjes zitten. Elske houdt het dan ook voor gezien als ze door de sneeuw zakt en een paar natte voeten haalt, terwijl Rogier nog even doorploegt naar de top, die geen top maar een groot plateau blijkt te zijn. Kun je verdikkeme nog niet zien wat er aan de andere kant van de berg zit. Natuurlijk maken we nog een sneeuwpop en dan is het tijd om terug naar het kamp te gaan. Maar de rendieren waren nog steeds niet terug… Pas toen de zon bijna onder was kwamen ze terug. Ze zijn echt super mooi en heel elegant en lichtvoetig terwijl ze best groot zijn. De Tsaatan kinderen van een jaartje of 3 lopen dan ook door de drukte van zo’n 200 rendieren heen zonder ooit aangetikt te worden door één van de geweien. Voor de wat oudere kinderen zijn ze prima biologische speelgoedautootjes. De geweien hebben in deze tijd van het jaar een vachtje dat gewoon zachter is dan een knuffelbeertje. Ze zijn ook heel aanhankelijk en grappig, want ze willen steeds het zout van je handen likken, vinden ze blijkbaar lekker?! Maar als je even niet oplet, wordt je bijna omver geduwd als ze op zoek zijn naar je handen. De volgende ochtend, toen wij op ons kookstelletje ons ontbijt probeerden te maken, kwamen ze heel nieuwsgierig even kijken. Hoe bescherm je een kookstel tegen zes nieuwsgierige rendieren? Schade: de opberghoes heeft een paar deuken maar het ontbijt is nog heel, kunnen we dat mooi kapot kauwen.

Na drie nachtjes logeren bij de rendieren is het tijd om terug naar Tsagaannuur te rijden. We hebben een lekker tempo en zijn we redelijk op tijd weer bij het huis van onze gids. We krijgen een groot bord met gekookt vlees en een soort deeg voorgezet, samen met natuurlijk de suutei tsai en ook nog brood met boter en suiker. Hier hebben we heerlijk van gesmuld voordat we het laatste stukje, met de onweer op de hielen, terug reden. De kids deden nog gekker dan de eerste keer en zijn duidelijk blij hun papa weer te zien. Zo blij dat ze van verdriet moeten huilen als hij ons het laatste stukje wegbrengt. Onderweg ligt er weer een man passed out ergens in het veld… Onze gids ziet al snel een wodkafles liggen… Mongolian Wodka… Ja, zo zagen we er in Moron ook al eentje liggen. Mongolian wodka good good… We weten het niet zo zeker… In Tsagaannuur slapen we weer bij Erdene’s guesthouse, waar de mevrouw ons nog heel lief zelf gemaakte vis khuushuur komt brengen! Jummie!

P1030970

Om weer terug in Moron te komen, moeten we weer een Russische minivan regelen. De volgende ochtend gaat er ééntje, maar de mevrouw van ons guesthouse zegt er wel bij dat ie heel vroeg gaat. Op de vraag hoe vroeg, antwoordt ze: ‘11 uur!’ Haha! In Mongolië is dat vaak echt vroeg en hoef je voor 9 uur echt nergens leven in de brouwerij te verwachten. Uiteindelijk vertrekken we rond 13 uur en hebben we zitplekken voorin geregeld. Nouja, één echte zitplek en de ander is een plek waar je kan zitten, zij het, zo wordt na drie hobbels (lees: binnen een minuut) duidelijk, wat ongemakkelijk 😉 Ook wordt die plek nogal oncomfortabel warm, omdat het blijkbaar bovenop de motor is. Maar goed voorbereid met wagenziek pilletjes en een goed zicht op de ‘weg’ is het een avontuurlijk ritje door het mooie landschap. Dat gelukkig wel wat opgedroogd is en we na zo’n 10 uur rijden terug in Moron zijn. Met naast de standaard hobbels en kuilen als enige hindernis een soort kangeroemuizen die de neiging hadden op precies voor de auto te gaan hupsen, en onze chauffeur erg zijn best deed om ze ze precies tussen de wielen door te laten gaan. Na een wat korte nacht pakken we de volgende ochtend gelijk de bus naar Ulaanbaatar. Een echte schoolbus die ooit door Unicef is geschonken… Na 1,5 uur rijden stoppen wel al en is het blijkbaar de bedoeling dat we gaan eten. Nu zijn wij niet vies van eten, al is het in Mongolië niet echt geweldig… Maar goed, rond kwart voor 12 hebben we de lunch achter de kiezen en karren we in één streep door naar Ulaanbaatar, waar we rond 23 uur aankomen. Gelukkig hadden we nog wat droge broodkoekjes van de trekking over om als avondeten weg te kauwen. In Uaanbataar hadden we weer ons vaste guesthouse gereserveerd, dus dat was relaxt. Alleen nog even onze backbacks uit de laadruimte halen en dan konden we de taxi in. Heel grappig bleef iedereen netjes wachten tot de busboy de kleppen van de laadruimte openmaakte. Toen de bagage er die ochtend ingestopt moest worden was het één grote duw- en trekpartij om je spullen maar als eerste kwijt te kunnen. Maar nu stond iedereen dus netjes te wachten. Totdat de luiken opengingen… En toen was het weer een groot geduw en getrek. Naar ons idee werkt dat niet echt sneller, maar ja, je staat er wel tussen. En dan ineens gebeurt het je toch. Rogier roept: Ik ben gerobbed!!

Het vorige verhaal was zo lang geworden, dat we onze belevenissen in Mongolië maar in twee etappes posten. Deze post over de eerste 27 dagen is alleen niet echt korter geworden… Hopelijk lezen jullie het met plezier en zien we jullie reacties graag weer op de weblog! Vanaf ons strandhutje typen we snel verder over de laatste 20 dagen.

Dikke kus vanuit Zuid Korea!

JA LEUK!! Laat je reactie achter!